Dr. Vijai S Shankar MD. PhD

India Herald

Houston, USA

18 februari 2009

 

 

‘Niet dit niet dit’

 

In elk huishouden, samenleving en natie beschouwt men het dagelijkse leven als iets wat goed of fout is. Als het leven goed is lijkt het dagelijkse leven harmonieus, maar als het fout is breekt de hel los. De mens is ervan overtuigd dat het leven goed of fout kan zijn en wenst dat alles altijd goed verloopt, of probeert dat in ieder geval. De onenigheid tussen man en vrouw en tussen de andere leden van de familie, is uitsluitend gebaseerd op concepten van goed en fout. Overal waar mensen elkaar ontmoeten, ongeacht plaats of tijdstip, komen we dit tegen.

 

De mens is van streek, verstoort, boos, droevig, teleurgesteld, bezorgd, ongerust en bang om met zichzelf in het reine te komen als dingen fout gaan. Hij is dan instabiel en voelt zich verslagen. Aan de andere kant, als de dingen goed gaan, zo gezegd, voelt hij zich opgetogen, trots, gelukkig en zelfvoldaan; ook voelt hij zich triomfantelijk. Het is dus niet vreemd dat de mens verlangt om altijd goed en nooit fout te zijn; het is een kwestie van harmonie. Als het leven goed gaat, lijkt harmonie de boventoon te voeren, zo niet, dan is het leven disharmonieus.

 

De mens verwacht en staat erop dat mensen, voorwerpen en dieren altijd op een goede en nooit op een foute manier functioneren. Hij verwacht en eist dit, zodat hij ze kan gebruiken. Hij verwacht en eist dat iedereen zich altijd goed en nooit fout gedraagt. Voor de mens is dat het ideale leven. Hij lijkt te weten wat zijn verwachtingen en eisen betekenen, maar waarom is het hem dan nog niet gelukt om zijn leven ermee in overeenstemming te brengen? Weet hij eigenlijk wel wat het leven is en of zijn verwachtingen en eisen wel haalbaar zijn? Hij gelooft dat hij het weet en kijkt daarom uit naar de dag waarop zijn verwachtingen en eisen werkelijkheid worden.

 

De mens went zich tot de God waar hij in gelooft en bidt voor een leven dat altijd goed en nooit fout loopt. Hij volgt de religie van de familie waarbinnen hij geboren is, en hoopt dat al zijn verlangens en wensen altijd goed en nooit fout zullen uitpakken. Dit is de enige reden waarom hij een religie heeft. Elke religie, ongeacht de God die het vertegenwoordigt, heeft uitgesproken standpunten over wat goed en fout is. Elke religie gaat ervan uit en geeft te kennen dat goed en fout bestaan. Maar de paradox is dat wat voor de ene religie goed en fout is, niet hetzelfde is als de uitleg die een andere religie eraan geeft. Dus wie zou op welke manier kunnen vaststellen wat goed en fout werkelijk is? 

 

Elke religie is waar voor de ene mens en onwaar voor een ander. Dit is nogal evident, want het stemt een mens bitter als hij iemand tegenkomt van wie de religie afwijkt van die van hem. In elke religie prediken geestelijken over hoe je ervoor kunt zorgen dat het leven goed is, en hoe je dat wat als fout gezien wordt kunt uitbannen. Maar kan religie, de steunpilaar van Gods leer, wel claimen dat het weet wat goed en fout is? Zou de God die door de religie vertegenwoordigd wordt iets in deze wereld manifesteren wat fout is? Het is moeilijk om je voor te stellen dat Hij zoiets zou doen, maar toch predikt religie dat dit zo is. Dit toont aan dat iedere religie hun God in staat acht om iets te creëren wat fout is. Kan een religie werkelijk religieus zijn als het aanvaardt dat hun God debet is aan iets wat fout is? Is een religie nog wel religieus als het een andere religie bestempelt als niet de goede religie? Maar deze religie predikt ook, zodat de mens zich in ongeloof zou moeten afvragen of het prediken dat iets fout is wel goed kan zijn.

 

De mens is niet in staat om iets te creëren wat fout is, laat staan wat goed is, want hij heeft zichzelf niet gemaakt. Als dat wel zo was zou hij zichzelf uiteraard zo gemaakt hebben dat hij nooit iets fout kon doen. Het wordt geloofd dat de mens door God gecreëerd is; als dat zo is zou hij in elk opzicht echt zijn; echt, in de zin van onveranderlijk, overal en eeuwig. Het feit dat de mens gelooft dat hij goed of fout kan zijn, maar niet precies kan voorspellen wanneer wat zal gebeuren, is het bewijs dat hij niet degene is die goed of fout creëert. Het enige wat hij kan zeggen is dat hij plotseling ontdekt dat hij goed of fout is, en dit is iets wat ieder mens weet, namelijk dat hij erdoor verrast wordt.

 

Wie zou het dan wel kunnen zijn die goed of fout creëert? Misschien is niets in absolute zin goed of fout. Misschien zijn goed en fout wel illusoir, precies zoals de verlichte zielen bekend hebben gemaakt. Het is nodig dat de mens begrijpt dat het illusoire illusoir is, in plaats van zich in te spannen (dat ook illusoir zou zijn) om iets wat fout is te corrigeren, of om eraan te ontsnappen.

 

De mens neemt beslissingen voor God de almachtige en gelooft tegelijkertijd dat God almachtig is, en het is niet nodig om hem hiervan te overtuigen. Hij sterft en doodt zijn medemens voor zijn religie en trekt gewapend ten strijde om Gods eer te beschermen. Als God werkelijk almachtig is, zou Hij dan niet in staat zijn om Zijn beslissingen zelf te nemen? De mens denkt dat hij voor God kan beslissen en dat hij dat ook moet doen om Gods eer te beschermen, zo gezegd. Hij wil echter niet dat er voor hem wordt besloten, want hij zegt: “Meng je niet in mijn leven, ik weet wat ik met doen en beslissen.” Zou God willen dat iemand zich met Zijn leven bemoeit? Heeft God de bemoeienissen van de mens wel nodig? Dat is uiteraard ondenkbaar. Als dit wel zo was, hoe zeker zou de mens er dan nog van kunnen zijn dat God hun redder is en zal zijn?

 

De mens realiseert zich dat hij soms niet in staat is om in het dagelijkse leven beslissingen te nemen. Als hij degene was die het leven teweegbrengt, zou hij nooit besluiten hoeven te nemen: hij zou kunnen doen wat hij wilde. Alleen als hij in zijn leven geen enkel besluit hoefde te nemen, zou hij geautoriseerd zijn om voor God te beslissen, en anders niet. Als dit niet zo is, hoe zou de mens dan voor God kunnen beslissen? Misschien is God niet in het minst beledigd en staat Zijn eer geen moment op het spel. Zou God niet in staat zijn om Zijn beslissingen zelf te nemen, want Hij is toch almachtig? Als God de mens nodig zou hebben om voor Hem beslissingen te nemen en om Zijn eer te beschermen, zou dat de mens dan niet almachtig maken in plaats van God? Zou dit ooit goed kunnen zijn? Het is nodig dat de mens diep nadenkt. Ook dit gebeurt, zodat de mens kan begrijpen hoe illusoir hij en zijn geest zijn.

 

De mens besluit om voor Gods eer op te komen, omdat in sommige heilige teksten staat dat hij dat zou moeten doen. Zouden dergelijke kennisgevingen een heilige tekst niet fout maken? Waarom zou God zoiets opschrijven als elk moment in het leven uitsluitend uit Zijn creaties bestaat? We moeten niet vergeten dat God deze heilige teksten als mens geschreven heeft, zodat de mens kan begrijpen dat overtuigingen illusoir zijn. God dient in ieder moment aanwezig te zijn om het moment in leven te houden.

 

De mens leest heilige teksten omdat hij gelooft dat ze hem zullen laten zien hoe hij een goed leven kan leiden. Hij wendt zich massaal tot een geestelijke, omdat hij gelooft dat de geestelijke zijn verlangens en verwachtingen in vervulling kunnen en zullen laten gaan. Dit is de enige reden waarom de mens zich massaal tot een geestelijke wendt. De mens respecteert en accepteert dat de woorden van een verlichte ziel waar zijn, maar de verlichte zielen hebben te kennen gegeven dat de wereld illusoir is. Als dat zo is, zouden de verwachtingen en de eisen van de mens dat alles altijd goed en nooit fout mag gaan dan niet ook illusoir zijn?

 

Mensen veroordelen elkaar in termen van goed en fout; niemand wordt omarmd zoals God hem gecreëerd heeft. Hij is ervan overtuigd dat hij dan weer goed en dan weer fout is, maar er bestaat geen mens die in absolute zin goed of fout is. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om iemand te vinden die zijn hele leven lang alleen goed of alleen fout is geweest. Iedereen wil het liefst alleen goed en zelfs niet één keer fout zijn in zijn leven. De mens gelooft dat als hij fout is hij geen goed mens is en dat hij dat alleen is als hij goed is.

 

Als de mens verlangt om altijd goed te zijn, kan hij dat ook zijn, omdat hij gelooft dat zijn leven door zijn toedoen plaatsvindt. God zou hem er zeker niet van weerhouden om goed te zijn, zodat hij fout kan zijn. Ook de mens zou zichzelf er nooit van weerhouden om goed te zijn, zodat hij fout kan zijn. Het kan dus alleen een observeerder zijn die hem als fout identificeert. Welnu, zou de observatie dat iemand fout is, de observeerder niet fout maken? Dat zou zeker het geval zijn.

 

Als een observeerder iemand het stempel ‘fout’ geeft, zou dat betekenen dat de observeerder fout is, en niet degene die het stempel krijgt. De mens zou nooit iets fout kunnen doen, want hij zou altijd alles goed doen, terwijl zo iemand helemaal niet bestaat. Alleen iemand die altijd alles goed doet, kan een ander het stempel goed of fout geven. Maar dat zou zo iemand ook fout maken, want het is fout om te beweren dat iemand fout is. Daarom heeft niemand de volmacht om een ander het stempel goed of fout te geven.

 

De mens identificeert een ander alleen maar als goed of fout. Maar hoe zou een dergelijke observatie valide kunnen zijn als nog nooit iemand iets goed of fout kan hebben gedaan, of de volmacht kan hebben om een ander als goed of fout te identificeren? De kracht van de illusie is zodanig, dat de mens ervan overtuigd is dat hij dingen goed of fout kan doen, terwijl hij überhaupt nog nooit iets gedaan heeft. De mens is nooit de doener geweest; hij is het niet en hij zal het nooit worden. Dit is wat bedoeld wordt met de twee woorden ‘neti neti’, wat zich laat vertalen als ‘niet dit niet dit’, en dit betekent dat de mens noch goed noch fout kan zijn.

 

Desondanks staat het leven van de mens bol van goed en fout. Zo is het bijvoorbeeld fout om ’s morgens laat op te staan. Dit is de overtuiging in de geest van de moderne mens. Maar weet hij wel zeker dat hij elke ochtend wakker wordt? Akkoord, het is duidelijk dat hij ’s morgens van de slaaptoestand naar de waaktoestand gaat, maar komt de mens door eigen toedoen elke dag in de waaktoestand terecht? Hij wordt eenvoudigweg wakker, en dat gebeurt precies op het moment waarop hij wakker moet worden, en dit wekt bij de mens de indruk dat hij goed bezig is.

 

Natuurlijk kan de mens zeggen dat zijn wekker hem wakker maakt. Maar in dat geval zou niet de mens maar de wekker goed zijn. Als hij wakker zou kunnen worden om de wekker te zetten, zodat de wekker hem wakker kan maken, zou hij kunnen beweren dat hij elke dag degene is die wakker wordt. Wat zou in dat geval nog het nut van een wekker zijn? Hij zou wakker kunnen worden wanneer hij maar wil. Aangezien het niet de mens is die zichzelf ‘s morgens wakker maakt zodat hij goed kan zijn, rijst de vraag hoe iemand die dit niet kan fout kan zijn? Hij wordt iedere ochtend wakker precies op het moment waarop hij wakker moet worden. Wakker worden is iets wat de mens niet in eigen hand heeft, noch heeft de mens iets anders in eigen hand.

 

Laten we er vanuit gaan dat vroeg opstaan goed is en dat laat opstaan fout is. Dit zijn de overtuigingen van de mens, maar hoe zou dit ooit mogelijk zijn in het leven? Het leven is maar één moment en dit moment is eeuwig. Het is niet zo dat er meerdere momenten in één moment zijn: er is slechts één moment. Als er meerdere momenten in één moment waren, zou het mogelijk zijn om op tijd of te laat op te staan, en in dat geval zou goed of fout bestaan. Als dit bestaan echt was, zou goed of fout nooit verdwijnen, maar eeuwig voortbestaan. Alle mensen zouden voor eeuwig goed of fout zijn. Het zou betekenen dat het leven in absolute zin goed of fout is. In dat geval zou de mens nooit kunnen weten wanneer hij goed of fout is, omdat hij dualiteit nodig heeft om dat te herkennen, en als het bestaan echt was zou dualiteit nooit kunnen bestaan.

 

Dit betekent dat goed en fout in hetzelfde moment co-existeren en dat hun bestaan tijdelijk en niet echt is, want ze verdwijnen allebei. In het enkelvoudige moment moeten sommige mensen uitslapen, zodat anderen vroeg op kunnen staan en de dualiteit van goed en fout kan worden gemanifesteerd. Voor iemand die wakker is, moet er iemand slapen. Wees degene die uitslaapt dankbaar, want hij of zij geeft jou de gelegenheid om het leven en haar miraculeuze manifestatie van licht en geluid te bewonderen. Kan iemand het leven wel dankbaar zijn als hij iemand veroordeelt die langer doorslaapt en zo de observeerder de gelegenheid geeft om het leven te bewonderen?

 

Het is niet de mens die de ochtend creëert; hij ontdekt slechts dat hij zich erin bevindt. Het leven is de geest altijd voor; de geest loopt achter op het leven, want het leven is licht, terwijl de geest geluid is. Het leven is licht en reflecteert een optische illusie van kleur, vorm en acties; de geest is geluid en reflecteert een auditieve illusie van woorden en betekenissen die de suggestie wekken van acties en gevoelens van goed of fout.

 

Er bestaat in het leven geen goed tegenover fout en geen fout tegenover goed. Je bent waar je behoort te zijn. Je bent nooit waar je niet behoort te zijn. Begrijp dat als de geest beweert dat je niet bent waar je behoort te zijn, je precies bent waar het leven je hebben wil. De geest kan de enkelvoudige beweging van het leven niet begrijpen en dat is ook niet de bedoeling. De geest kent alleen illusoire labels en herinnert ze om de mens in de waan te laten dat ze echt zijn. Als de illusoire geest zou zijn begrepen zou het de realiteit hebben onthuld.

 

Goede gedachten overkomen de mens, en om deze gedachten als goed te herkennen, dienen zich op hetzelfde moment ergens anders foute gedachten aan een mens te voltrekken. Het uitspreken van goede woorden overkomt de mens, maar om deze woorden als goed te herkennen, dienen zich op hetzelfde moment ergens anders foute woorden aan een mens te voltrekken. Goede acties overkomen de mens, maar om deze acties als goed te herkennen, dienen zich op hetzelfde moment ergens anders foute acties aan een mens te voltrekken. Gedachten, woorden en acties zijn illusoir en niet echt.

 

Gedachten, woorden en acties laten de mens in de waan dat ze echt zijn, omdat hij gelooft dat er vele momenten in een moment zijn, waardoor goed en fout daadwerkelijk lijken plaats te vinden. Er is slechts één enkelvoudig moment in het leven en daarom kunnen goede en foute gedachten, woorden en acties onmogelijk plaatsvinden. In elk moment kan maar één gevoel plaatsvinden, maar als dat zo was, zou de mens dat gevoel nooit kunnen herkennen. Voor herkenning is dualiteit nodig. Er zijn dus goede en foute gevoelens in hetzelfde moment nodig om herkenning te laten plaatsvinden, en hun aanwezigheid is alleen mogelijk als ze illusoir zijn en niet echt. Als goed of fout echt zou zijn, zou slechts één van de gevoelens in het moment kunnen plaatsvinden, maar als dat zo was zou herkenning onmogelijk zijn; het leven zou nooit kunnen bestaan.

 

Als er gedachten, woorden of acties plaatsvinden die goed lijken te zijn, gelooft de mens dat fout niet in hetzelfde moment plaatsvindt. Als hij zou begrijpen dat fout in hetzelfde moment gebeurt waarin goed ook gebeurt, zou hij inzien dat goed net zo fout is als fout, en dat fout net zo goed is als goed. Dualiteit is illusoir in een illusoire wereld en nooit echt.

 

Begrijp dat devotie een mens overkomt, en om devotie als iets goeds te herkennen, dient iemand anders in hetzelfde moment disloyaliteit ten deel te vallen, en andersom. Lof overkomt de mens, en om lof als iets goeds te herkennen, dient iemand anders in hetzelfde moment veroordeeld te worden, en andersom. Liefde overkomt de mens, en om liefde als iets goeds te herkennen, dient iemand anders in hetzelfde moment gehaat te worden, en andersom. Elk gevoel is precies eender als zijn tegenpool en het verschil tussen beiden is slechts relatief en niet absoluut. Devotie, lof en liefde zijn eeuwig.

 

Ze worden eeuwig op het moment dat de mens zich realiseert dat hun tegenpool hetzelfde is, en dat het verschil slechts een kwestie van gradatie is. Het is het verschil in gradatie dat de geest in de waan laat dat gevoelens van goed en fout echt zijn. Aldus zijn devotie, lof en liefde die verdwijnen illusoir en nooit echt. Ze zijn niet verdwenen, ze zijn hetzelfde gebleven, maar in een lagere gradatie dan ervoor. Als iemand denkt dat een ander mens fout is, betekent dat slechts dat hij goed niet kan herkennen, wat je niettemin gewoon bent, alleen niet in dezelfde mate als toen hij goed over je dacht.

 

Er is geen goede of foute manier om dingen te doen. De goede manier is zoals het leven stroomt, en de foute manier is zoals het leven ook moet stromen, zodat het goede, dat door de mens als zodanig herkend wordt, kan plaatsvinden. Ook wat fout is, is goed, maar wordt door de mens niet als zodanig herkend. Goed en fout gaan harmonieus samen, terwijl ze ten behoeve van een eeuwig durend disharmonieus drama in de geest gescheiden lijken te zijn.

 

Harmonie betekent dat goed en fout in elk moment samenzijn en niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Het leven is harmonieus en dat geldt ook voor goed en fout in de geest, maar dan wel illusoir en nooit echt. De op goed en fout gebaseerde ruzies die man en vrouw dagelijks hebben, kunnen nooit echt in het leven bestaan, al lijken ze nog zo valide en overtuigend. Ze gebeuren, zodat de mens de illusoire natuur van goed en fout kan begrijpen. Op dezelfde wijze kunnen ruzies of conclusies die als goed of fout veroordeeld worden, niet echt in het leven plaatsvinden, al lijken ze nog zo valide en overtuigend, omdat het leven tijd- en gedachteloos is. Ze zijn valide in de geest, maar de geest bevindt zich niet in het leven en kan zich daar ook niet bevinden, omdat het leven tijd- en gedachteloos is. Ze vinden enkel in de geest plaats, zodat de mens de illusoire natuur van goed en fout kan begrijpen.

 

Ook religie kan nooit alleen maar goed en nooit fout zijn. Als religie alleen goed was zou het niet eens bestaan. Om te kunnen bestaan moet religie dualistisch en dus zowel goed als fout zijn. Religie kan echter alleen in de geest dualistisch zijn, en nooit in het leven. Ook spiritualiteit kan nooit alleen maar goed en nooit fout zijn. Als het alleen goed was zou spiritualiteit helemaal niet bestaan. Spiritualiteit kan alleen bestaan als het dualistisch en dus zowel goed als fout is. Spiritualiteit kan alleen in de geest goed en fout zijn en nooit in het leven. Het leven is vrij van religie en spiritualiteit omdat het leven tijd- en gedachteloos is. En dit is wat het leven vrij en verlicht maakt.

 

© Copyright 2009 V. S. Shankar

 

 

 

Terug naar artikel pagina

 

 

back to articles page